Primeur: Oostende bestrijdt ratten met anticonceptie
Als er al een probleem is van ‘overtollige’ ratten of van een ‘plaag’, dan is het niet laten geboren worden van extra dieren door anticonceptie een meer diervriendelijke methode, dan ze te vergiftigen of verdrinken.

Preventie blijft echter het belangrijkste. Het is een beetje goedkoop om hierbij met de vinger te wijzen naar individuen die vogels voeren (waar dan ook ratten op afkomen).
De stad moet ook zorgen voor een adequaat afvalophalingbeleid, waarbij afval tijdig en frequent opgehaald wordt!
QUOTE
“Oostende zal ratten voortaan niet meer vergiftigen of verdrinken om ze te bestrijden. Vanaf nu krijgen de beesten een geboortebeperkingspil die in voeding is verwerkt. Het gaat volgens de stad om een primeur voor ons land.”
Oostende bestrijdt ratten met geboortebeperkingspil in plaats van vergif: primeur voor België
NOOT:
Hierbij zou ook moeten gekeken worden naar de mogelijke impact op andere fauna en flora die deze anticonceptie direct (bv. egels of andere dieren die het voedsel met anticonceptie opeten) of indirect (predatoren) binnenkrijgen. Ik vermoed dat de uiteindelijke dosissen die predatoren binnenkrijgen wel veel kleiner zijn, maar misschien toch nog wel nog schade kunnen toebrengen. Maar misschien werken de hormonen bij knaagdieren ook heel anders dan bij vogels. De situatie is mi ook heel anders in ruraal gebied versus stedelijk gebied (waar ratten nauwelijks natuurlijke predatoren hebben).
In rapport van INBO staat het als ‘bekommernis’, maar geen refereties naar studies bij:
6.6.1 Anticonceptie Het gebruik van anticonceptie voor het beheer van ratten en muizen staat nog in zijn kinderschoenen. Principieel is een toepassing die de vruchtbaarheid vermindert enkel geschikt voor plaatsen waar er een beperkte populatie knaagdieren aanwezig is die getolereerd kan worden onder een bepaalde aantalsdrempel. Het is per definitie een preventieve aanpak met een trage werking, niet geschikt voor bestrijding in een situatie waar het aantal knaagdieren zo snel mogelijk verminderd moet worden, eventueel wel als opvolgactie. In de VS wordt sinds een aantal jaar (2016) een anticonceptiemiddel van de firma SenesTech als bestrijdingsmiddel voor ratten erkend. De werkende bestanddelen vinylcyclohexaandiepoxide en triptolide werken in op de vruchtbaarheid. Vinylcyclohexaandiepoxide doodt vooral bij muizen immature eicellen, maar bleek minder effectief bij ratten. Daarom werd ook triptolide, dat inwerkt op de motiliteit van de zaadcellen, aan de formulering toegevoegd. Omdat het effect van triptolide omkeerbaar is, moet het anticonceptiemiddel blijvend aangeboden worden om enig effect te hebben. Bovendien bestaat de kans dat migrerende mannelijke ratten de effecten van het product tenietdoen. De firma geeft aan dat het anticonceptiemiddel voor een reductie van 50% van de populatie zorgt. Het toepassingsgebied moeten we zien in grotere al dan niet gesloten systemen (boerderijen, rioolstelsels, metro, …) en zeker niet als particulier bestrijdingsmiddel. De vraag die we hierbij moeten durven stellen is of een reductie van 50% voldoende is om eventuele schade te beperken en of die reductie niet even goed haalbaar is met het toepassen van een aantal preventieve maatregelen. Ook in andere landen wordt geëxperimenteerd met middelen die de fertiliteit van knaagdieren kunnen verminderen. Er is reeds heel wat onderzoek verricht naar het gebruik van formuleringen met quinestrol en levonorgestrel (EP-1), vooral in China maar meer recent ook in Afrika. Het product wordt vooral uitgetest met het oog op het beperken van populatieexplosies bij knaagdieren in landbouwgebieden. (Fu et al., 2013; Liu, 2019; Massawe et al., 2018; Liu, 2019). Een recente studie van Massei et al. (2020) geeft aan dat de eerste stappen naar een oraal immunocontraceptie vaccin gezet zijn. Hierbij worden GnRH (Gonadotropin-releasing hormone) moleculen geïnactiveerd zodat de ontwikkeling of hormonale werking van testes en ovaria onderdrukt worden, met mindere vruchtbaarheid tot gevolg. Verdere studies zullen moeten aantonen of de immuunrespons en werking verhoogd kan worden en of er mogelijkheden naar commercialisatie zijn. Ook het vermijden van effecten bij andere soorten dan de doelgroep van knaagdieren is daarbij een bekommernis. Belangrijk hierbij om in het achterhoofd te houden is dat veel hormonen of stoffen die de hormoonbalans verstoren ook een rol spelen in het sociaal gedrag dat dieren vertonen. Dit betekent dat behandelde dieren hierdoor ook nadelige effecten (vb lagere sociale status) in de populatie kunnen ervaren. Het welzijn of de integriteit van deze dieren wordt hierdoor op zijn minst ook beïnvloed.